Ik ben voor de wekker wakker. Toch heb ik een goede nacht, dit betekent meer kans op een goede dag. Ik hoop het. Terwijl ik even blijf liggen bedenk ik me wat ik aan ga doen. Buiten is het koud, in een rolstoel helemaal.
Als ik beneden kom is mijn moeder bezorgd. 'Gaat het echt wel lukken?' 'Weet je het zeker?' Ik voel me niet opperbest, ik geef het niet toe. Alleen al door alle vragen weet ik ook meteen dat ik er niet goed uit zie, ik doe alsof ik er niets om geef. In werkelijkheid doe ik dat wel. Ik wil een leuk uitstapje, maar ik weet dat dit een tol gaat kosten. Ik lig al 6 weken op de bank, ik heb iets leuks nodig. Maar hoe hoog wordt de tol, en is het dat waard?
We vertrekken aan het einde van de ochtend. We rijden over dezelfde weg als naar het revalidatiecentrum, ik heb slechte herinneringen. Als we bijna op de bestemming zijn rijden we een file in. De file naar de Beekse Bergen. Toch geniet ik samen met mijn broer, mensen kijken.
We lenen een rolstoel en gaan zo door het kaart. In het begin is het nog lekker, het zonnetje schijnt. Een tijd later verdwijnt deze, het koelt snel af. In een rolstoel extra snel. Ik zit de rillen van de kou. Veel dieren zijn niet actief. Het is ook te koud om actief te zijn. We eindigen met een frietje. Daarna gaan we naar huis.
Al snel merk ik dat dit duidelijk weer te veel was. Alleen rondgereden worden in een rolstoel, rechtop zitten. Mensen om me heen. Ik zit met mijn ogen dicht in de auto. Ik ben bevroren. Als ik eenmaal thuis ben zijn mijn voeten nog steeds ijsklonten. Ik ga naar boven en trek mijn pyjama aan. Over mijn sokken slaapsokken. Ik neem twee kruiken mee. Deze laat ik mijn moeder opwarmen. Ik ga op de bank liggen, de pijn is weer veel te hoog.
's Avonds ben ik ontzettend misselijk. De pijn blijft stijgen, het was een gezellig dagje, maar dit is een te hoge tol. Ik heb spijt. Ik doe nog mee met 'Weet Ik Veel' en daarna ga ik naar bed. Mijn lichaam is op, doodop. Hopen op een goed nachtje slaap.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten